OVERWEGING ZON-EN FEESTDAGEN

 

 

14e Zondag door het Jaar 7/8 juli 2018
Lezingen: Ezechiël 2, 2-5 en Marcus 6, 1-6
Ezechiël is een van de vele profeten in Israel, die in Gods naam mochten spreken. Maar Ezechiël is ook een heel bijzondere profeet. De andere profeten vanaf Elia t/m Jeremia werden geroepen om Gods woord te spreken in Israel, het beloofde land. Het land, waar God thuis was en woonde in de tempel van Jeruzalem. Daar is een einde aan gekomen met de ballingschap. De tempel in Jeruzalem werd verwoest en de koning en het volk werden weggevoerd in ballingschap naar Babylon, weg van het vaderland en weg van God. Men leefde tot dan toe in het vertrouwen, dat God met ze was in het land dat Hij zijn volk gegeven had. maar dat God ook buiten de grenzen van het beloofde land zou zijn, dat kwam niet bij ze op. In de ballingschap wisten zij zich van God verlaten, hun toestand was uitzichtloos.
Maar met Ezechiël laat God zien, dat Hij ook in de ballingschap een profeet kan roepen, om in Gods naam te spreken tot de ballingen Bij zijn roeping krijgt de profeet direct al te horen, dat hij te maken zal krijgen net een weerbarstig volk. Maar toch, het volk mag geloven, dat God zijn volk niet in de steek heeft gelaten, dat God met zijn volk blijft en nieuwe hoop zal geven voor de toekomst.
Je zou de ballingschap kunnen vergelijken met de situatie, waarin wij ons vandaag als kerk bevinden. We kijken terug op een rijk verleden; we spreken van her rijke roomse leven. We waren er vast van overtuigd dat God met ons was en heel tevreden met ons kon zijn. Maar daar is radicaal een eind aan gekomen en we leven nu in een wereld zonder God. Nu komt het er ook voor ons op aan te geloven,dat God ook in deze goddeloze wereld met ons is en zijn stem zal laten horen; dat God op nieuwe wijze zal laten zien, dat Hij ons nabij is. Paus Franciscus benadrukt dit vaak: God zit vol verrassingen, Hij blijft creatief onder ons aan het werk. Het komt er op aan te geloven, dat God liefdevol nabij is. Alleen als we geloven kunnen we ook de tekenen van zijn aanwezigheid zien. en enthousiasme op: een nieuwe leer en met gezag. Heel anders dan ze gewend zijn van schriftgeleerden en Farizeeën, die alleen maar de oude woorden van God herhaalden. Met Jezus laat God een nieuw geluid horen en mensen verheerlijken God.
Maar dit wordt anders, als Jezus in zijn vaderstad komt Er is veel verbazing over Jezus’ woorden en zijn wonderdaden. Maar ze vragen zich toch af: waar heeft Hij dat vandaan? Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria? En leven zijn zussen en broers niet onder ons? Zou God kunnen verschijnen in een gewoon iemand onder ons? Ze kunnen het niet geloven en daarom kan Jezus geen wonderen onder hen verrichten. In Jezus laat God zien, dat God ons heel nabij wil
We zien dit in het evangelie,dat we zojuist hoorden. Met de komst van Jezus heeft God een nieuw begin gemaakt. En aanvankelijk roept Jezus veel verwondering zijn in het gewone samenleven van elke dag. Maar zijn stadgenoten kunnen het niet geloven.
En lijden wij niet aan dezelfde kwaal? We laten ons inspireren door grote mensen als paus Franciscus of Nelson Mandela of Martin Luther King of Oscar Romero. Maar kunnen we ook geloven dat God ons nabij komt in gewone mensen om ons heen? Kunnen we geloven dat God ons nabij komt in gewone mensen die we dagelijks tegenkomen? Kunnen we geloven, dat we Gods liefde kunnen zien en ontvangen van mensen om ons heen, binnen en buiten de kerk?
Om ons geloof te versterken vieren we telkens Eucharistie. We noemen dit het mysterie van ons geloof. Gods liefde komt tot ons in een gewone stukje brood en wat wijn. En wij mogen deze tekenen van Gods liefde ontvangen en in ons opnemen, niet om deze liefde voor onszelf te houden, maar om deze liefde door te geven aan elkaar en aan allen die wij ontmoeten. Gods liefdevolle nabijheid is dus niet een kwestie van mooie en vrome woorden, maar wordt tastbaar in ons liefdevol omgaan met elkaar en met allen, met wie we omgaan.
Pastor P. Rentinck

 

13e Zondag door het Jaar 1 juli 2018
Lezingen: Wijsheid 1, 13-15 + 2, 23-24; Marcus 5, 21-43
Marcus heeft zijn evangelie in het Grieks geschreven. Er zijn tegenwoordig maar weinig mensen, die het Grieks kunnen verstaan. Daarom is het goed, dat we de Nederlandse vertaling hebben. Het nadeel van een vertaling is, dat de oorspronkelijke tekst niet altijd correct vertaald is. Dat is ook het geval met het stuk Evangelie, dat we zojuist hoorden. De overste van de synagoge Jaïrus komt Jezus smeken: mijn dochtertje ligt op sterven, kom haar de handen opleggen, opdat ze mag genezen en leven. I.p.v. het woord ‘genezen’ staat er in het Grieks een woord dat ‘redden’ betekent. Jaïrus vraagt dus: leg haar de handen op, opdat mijn dochter gered wordt en mag leven. Verder op zegt Jezus tegen de vrouw, die aan bloedvloeiing leed: Dochter, uw geloof heeft u genezen. Ook hier staat in het Grieks i.p.v. genezen hetzelfde woord, dat ‘redden’ betekent. Jezus zegt dus: uw geloof heeft u gered.
Dit woord ‘redden’ is daarom zo belangrijk, omdat het verwijst naar de zending van Jezus. Als Jozef van de engel de blijde boodschap hoort, dat zijn vrouw zwanger is van de heilige Geest, krijgt Jozef ook de opdracht, om het kind de naam ‘Jezus’ te geven; de naam Jezus betekent: ‘God redt’, want, legt de engel uit: Hij is gekomen om het volk te redden van zonde en van dood. Met Kerstmis kondigt de engel dan ook aan de herders aan: Heden is u een redder geboren, Christus de Heer. In dit evangelie laat Jezus met de genezing van de zieke vrouw en met het opwekken van het dochtertje van Jaïrus zien, dat Hij gekomen is om te redden van zonde en van dood. En dat is niet alleen een blijde boodschap voor die ongeneeslijk zieke vrouw en voor dat dochtertje met haar ouders. Ook voor ons is het de blijde boodschap, dat Jezus ons kan redden van zonde en van dood.
Of er leven is na de dood en hoe dat leven er uitziet, wij mensen weten het niet, we kunnen niet over de grens van de dood heen kijken Het is zeker dat wij allen zullen sterven, maar wat er daarna gebeurt, dat kunnen we niet zien, dat weten we niet. Het enige wat wij kunnen doen, is geloven in Jezus, geloven dat Hij ons kan redden van zonde en dood. Jezus legt dan ook alle nadruk op geloof in Hem. Tot de vrouw spreekt Hij: dochter, uw geloof heeft u gered. En als de overste van de synagoge te horen krijgt, dat zijn dochtertje is overleden, zegt Hij tegen de man: wees niet bang, maar blijf geloven. Alleen als we geloven, als we blijven vertrouwen, dat Jezus ons zal redden uit de dood, kunnen we hopen dat we met Jezus zullen leven., zoals Hij zelf door de dood heen is teruggegaan om te leven bij zijn Vader in de hemel.
Dit geldt niet alleen voor onze eigen dood, maar ook voor de dood van dierbaren, die ons in de dood zijn voorgegaan. Als we geloven, dat zij leven met God, mogen we ook vertrouwen, dat zij er bij zijn, als we met God omgaan in het gebed. En mogen we vertrouwen, dat we in God, in liefde met elkaar verbonden blijven.
Dat vieren we altijd in de Eucharistie. We zijn hier bijeen met een kleine gemeenschap van gelovigen, maar we mogen vertrouwen, dat wij verbonden zijn met Maria, met alle heiligen, met allen die ons in geloof zijn voorgegaan. We mogen ons aansluiten bij de hemelse lofzang: Heilig, heilig, heilig de Heer, de God van de hemelse machten. Nu al kunnen we delen in het leven met God. En we mogen vertrouwen, dat dit onze toekomst is: eeuwig leven met God in de gemeenschap van al Gods heiligen.
Pastor P. Rentinck

 

Geboorte Johannes de Doper 24 juni 2018
Lezingen: Jesaja 49, 1-6; Hendelingen 13, 22-26 en Lucas 1, 57-66.+ 80
We vieren vandaag de geboortedag van Johannes de Dopoer. Naast Maria is Johannes de Doper de enige heilige, van wie we ook de geboortedag vieren. Want met de geboorte van Johannes ging de profetie van Jesaja in vervulling, die we horen in de 1e lezing: De Heer heeft mij vanaf de moederschoot geroepen en mijn naam genoemd. Als Maria haar nicht Elisabeth bezoekt, getuigt Elizabeth: het kindje in mijn schoot sprong van vreugde op. Het is hier niet alleen een ontmoeting van Maria met Elisabeth, maar ook tussen Jezus en Johannes, de vruchten van de schoot van beide moeders. Vandaag horen we het verhaal van zijn geboorte met zijn naamgeving. Beginnen wij deze vieren met te bekennen dat wij zondige mensen zijn, roepen we Gods ontferming over ons af.
Zoals kinderen bij het doopsel hun naam krijgen, zo kregen in Jezus’ tijd kinderen bij de besnijdenis op de achtste dag hun naam. Vroeger kregen we de naam van vader of moeder of van onze grootouders. Dat was in Jezus’ tijd ook het geval. Iedereen nam als vanzelfsprekend aan, dat het kind uit Elisabeths schoot geboren de naam van zijn vader Zacharias zou krijgen. Maar Elisabeth protesteert daartegen: Neen, het moet Johannes heten. Iedereen is verbaasd: hoe komt Elisabeth er bij om voor deze naam te kiezen? Dat wordt duidelijk als we kijken naar de betekenis van deze naam. Johannes betekent: God is barmhartig. Dat heeft Elizabeth ervaren met de geboorte van haar kind. Ze is lang kinderloos gebleven, maar op hoge leeftijd krijgt ze alsnog een kind. En toen buren en familie hoorden, hoe groot de barmhartigheid was die de Heer aan haar had betoond, deelden zij in haar vreugde. De geboorte van dit kind was teken van Gods grote barmhartigheid.
Maar de buren leggen het ook aan Zacharias voor: hij is de vader die de naam moet vaststellen. En Zacharias, nog steeds met stomheid geslagen door de boodschap van de engel dat hij een kind zou krijgen, schrijft op een tafeltje: Johannes zal hij heten. De verbazing blijft, maar onmiddellijk daarop wordt zijn mond geopend en verkondigt Zacharias Gods lof. Deze lofzang is niet in het evangelie opgenomen. Het is een grote lofzang op Gods barmhartigheid. En hij noemt zijn kind: profeet van de Allerhoogste om te getuigen van Gods barmhartigheid door zonden te vergeven. Het kind krijgt de naam Johannes dus niet alleen, omdat God barmhartig was voor Elisabeth, maar het zal zijn zending, zijn roeping worden om te getuigen van Gods barmhartigheid. Als hij later zijn zending begint, roept hij op: bekeert en laat u dopen, dan krijgt u vergeving van zonden. Hij bereidt daarmee de weg voor de Heer, die hij typeert als het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt.
Dezelfde nadruk op Gods barmhartigheid zien we dan ook bij Jezus. Als de engel aan Jozef de blijde boodschap meldt, dat Maria zwanger is van de heilige Geest, krijgt hij de opdracht om Maria tot vrouw te nemen en het kind moet hij de naam Jezus geven, want, legt de engel uit: Hij zal het volk redden van zijn zonde. En Jezus verkondigt niet alleen Gods barmhartigheid, Hij laat ze ook zien door het genezen van vele zieken en door zondaars te vergeven. Daarvoor is Hij gekomen: als geneesheer om zonden te vergeven. Voor Jezus is zonde geen misdaad die bestraft moet worden, maar een ziekte, die genezen moet worden. En het enige geneesmiddel is Gods barmhartigheid.
Bij Lucas vertelt Jezus ook een aantal parabels, die Gods barmhartigheid laten zien. B.v. de parabel van de barmhartige vader, die zijn verloren zoon met open armen ontvangt. Of van de herder, die op zoek gaat naar het verloren schaap en vol vreugde is, als hij het vindt en dan met zijn vrienden feest gaat vieren. Of het verhaal van de barmhartige Samaritaan, die geraakt wordt door een gewonde man langs de weg en zijn wonden verzorgt.
Augustinus nodigt uit om in deze Samaritaan de Heer Jezus zelf te zien. De mensheid is als een gewonde langs de weg. De vertegenwoordigers van het Oude Testament, de priester en de leviet, lopen er in een boog omheen. Dan komt de Heer als een Samaritaan uit den vreemde. Hij ziet de gewonde mens en laat zich raken. Hij verzorgt hem en vertrouwt hem toe aan de waard van de herberg. De Heer is teruggegaan naar zijn Vader in de hemel, maar Hij vertrouwt de gewonde mensheid toe aan de kerk. Hij nodigt de kerk uit om in zijn naam de gewonde mensheid te verzorgen met dezelfde barmhartigheid als Hij heeft laten zien. Jezus houdt zijn leerlingen dan ook voor: weest barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is,
Wij maken de kerk vaak tot een gesloten clubje, waarbij we alleen aandacht hebben voor elkaar. Maar de kerk moet zijn als een herberg, waar alle gewonde mensen gastvrij ontvangen worden. Paus Franciscus roept ons vaak op, dat de kerk een veldhospitaal moet zijn, waar alle gekwetste en gewonde mensen terecht kunnen om genezen te worden. En het enige geneesmiddel, dat de kerk heeft, is Gods vergevende barmhartigheid. De kerk heeft dezelfde zending als Johannes en Jezus, dat is getuigen, dat God een barmhartige God is, altijd bereid om te vergeven.
Pastor P Rentinck


11e Zondag door het Jaar 17 juni 2018
Lezingen: Ezechiël 17, 22-24 en Marcus 4, 26-34
In beide lezingen van vandaag wordt het beeld van de boom gebruikt, om aan te geven hoe het rijk Gods in onze wereld groeit. Wij gebruiken dit woord boom nog steeds in de zin van stamboom. Dat is tegenwoordig weer in. Mensen gaan op zoek naar hun voorouders. Soms lukt het om terug te gaan tot de Middeleeuwen. Ze maken dan een stamboom, die begint bij de oudst bekende voorouder; van generatie naar generatie komen er nieuwe takken bij en zo ontstaat er een stamboom met vele takken. Soms houdt een tak op, als er geen kinderen zijn of als de kinderen ongehuwd en kinderloos blijven. Maar de meeste takken gaan door en krijgen telkens nieuwe vertakkingen. Zo kun je de hele stamboom uittekenen met vele vertakkingen.
In deze zin gebruikt de profeet Ezechiël het beeld van de boom. Hij heeft net aangekondigd, dat de koning van Juda gedood zal worden en het volk weggevoerd zal worden in de ballingschap van Babylon. Maar onmiddellijk daarna heeft hij ook een beloftevolle boodschap. Uit de stamboom van koning David, die hoge ceder, zal God een twijg plukken en dat twijgje zal uitgroeien tot een prachtige ceder. De stamboom, die begint bij David, breekt dus niet af met de dood van de koning van Juda: God laat de stamboom van David verder groeien.
Deze belofte van Ezechiël is in vervulling gegaan bij de geboorte van Jezus. De evangelist Matteus geeft aan het begin van zijn evangelie de hele stamboom, de geslachtslijst van Jezus met alle namen: 14 generaties vanaf Abraham t/m koning David, vervolgens 14 generaties tot aan de ballingschap van Babylon en vervolgens weer veertien generaties tot aan Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is. Jezus wordt dan ook aangeduid als komend uit het geslacht van David, als zoon van David.
Aan het eind van zijn leven heeft Jezus aangegeven, wat de betekenis is van zijn lijden en dood. Hij gebruikt dan het beeld van de graankorrel: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt ze geen vrucht voort en blijft ze alleen. Maar als de graankorrel in de aarde valt en sterft, dan brengt ze veel vrucht voort. Zo zal Jezus als een graankorrel sterven, maar door de dood heen zal Hij zijn Geest van leven geven en veel vrucht dragen.
We zien dan ook, hoe na Jezus’ dood en verrijzenis de heilige Geest velen tot geloof brengt, op de eerste Pinksterdag al 3000. Met Jezus’ verrijzenis is Jezus het begin van een nieuwe stamboom, die niet meer bepaald wordt door bloedverwantschap, maar door Geestverwantschap. En zo is uit die ene graankorrel, klein als een mosterdzaadje een geweldige stamboom gegroeid met oneindig vele vertakkingen. Als we de 20 eeuwen kerkgeschiedenis overzien, is er veel misgegaan. We hebben b.v. kruistochten gevoerd tegen de Islam, ook onder elkaar hebben we veel oorlogen gevoerd tot en met de 2e wereldoorlog. Er zijn ook veel schanddaden geweest, in de kerk en tussen de kerken onderling, waarover we ons moeten schamen en moeten bidden, dat God ons genadig wil zijn.
En toch zijn er telkens weer mensen, sommigen bekende heiligen, maar de meesten onbekend, die leefden, in liefde verbonden met Jezus, en hun liefde ook lieten zien door liefdevol en barmhartig om te gaan met hun medemensen, ook met hun vijanden. Zo zijn er ook vandaag talloos velen die leven als Geest-verwanten van Jezus. Ze halen de kranten niet, maar voor ons als gelovigen kunne ze een teken zijn, dat de Geest van God ook vandaag onder ons werkt, dat het rijk van Gods liefde ook onder ons verder groeit. Tegelijk kunnen ze voor ons een uitnodiging zijn, om ook als Geestverwanten van Jezus te leven en liefdevol en barmhartig om te gaan met elkaar en met alle mensen.
Dat we in liefde verbonden zijn met Jezus, vieren we hier in de Eucharistie. We vieren hier hoe Jezus in zijn liefde voor ons tot het uiterste is gegaan. En we ontvangen hier het grote teken van zijn liefde, niet om deze liefde voor onszelf te houden, maar deze liefde door te geven aan elkaar en aan alle mensen die wij ontmoeten op onze levensweg. Dan kan het rijk van God ook onder onsverder groeien tot een geweldige stamboom.
Pastor P. Rentinck